BANGKOK: Het rode gevaar rukt op, nu de Chinese ambassadeur van Thailand eist, dat de uitdrukking “grijze Chinezen” uit het taalgebruik verwijdert en liet die boodschap via de minister van Toerisme overbrengen, een bewuste poging om terminologie te reguleren. De term verwijst niet naar gewone toeristen maar naar georganiseerde Chinese netwerken die in Thailand actief zijn en zich bezighouden met callcenterfraude, witwaspraktijken, afpersing en ontvoeringen; het voorstel om die groepen louter “criminelen” te noemen verhult juist hun specifieke achtergrond.
Beijing gebruikt toerisme als drukmiddel
De afhankelijkheid van miljoenen Chinese bezoekers maakt de Thaise economie kwetsbaar en vergroot de kans dat beleidsmakers meebuigen. Tegelijk treedt op 1 juli een nieuwe Chinese wet in werking, de Wet ter bevordering van etnische eenheid waarvan artikel 63 ook extraterritoriale interpretaties mogelijk maakt en zo juridische dreiging buiten China doet ontstaan. De combinatie van economische prikkels en juridische vaagheid leidt tot zelfcensuur.
Waar andere hoofdsteden soms openlijk confronterend reageren, hanteert China in Bangkok een subtieler, maar even doeltreffend mechanisme: geen harde sancties of militaire dreiging, maar zachte dwang via economische druk en het impliciete risico van juridische repercussies. Dit dwingt keuzes af: termen vermijden en inleveren op precisie om repercussies te voorkomen, of vasthouden aan duidelijke taal en daarmee politieke en economische tegenwind riskeren.
Deze les stopt niet aan de Thaise grens.
Ook in Brussel, Parijs of Den Haag groeit de verleiding ongemakkelijke waarheden te verbloemen zodra een machtige handelspartner zijn wenkbrauw optrekt. Een vrije samenleving onderscheidt zich door haar bereidheid de dingen bij hun naam te noemen, juist wanneer dat ongemakkelijk is. Het laatste bastion van vrijheid is niet het leger; het is het eerlijke woord.
Verslag door Olleke Bolleke in Bangkok
