CHIANG MAI: Ma-laep, ook wel “sprinkhaanoogkruid” genoemd, is een zeldzaam wild kruid uit Noord-Thailand met een stevige geur en een lange traditie. De vraag ernaar stijgt hard, de prijzen klimmen mee, maar in de natuur wordt het steeds schaarser. Natuurbeschermers maken zich zorgen dat het op den duur kan verdwijnen.

Officieel heet het Tetrataenium birmanicum en het wordt veel gebruikt in de Noord-Thaise keuken — in curry’s, chili, larb en andere lokale gerechten. Het geeft eten een licht bittere, kruidige toon en haalt ook nare vleesgeuren weg. Het groeit vooral in de kalksteenbergen van Noord- en West-Thailand (denk aan Doi Chiang Dao en Doi Hua Mot) en tot in Kanchanaburi, tussen zo’n 900 en 2100 meter. Je vindt het ook in Myanmar.
De plant is meerjarig, kan ongeveer een meter hoog worden en heeft soms roodpaarse scheuttoppen. De geveerde bladeren hebben hart- tot eivormige deelblaadjes, de kleine witte bloemetjes staan in schermen en de platte vruchten ruiken sterk als je ze kneust — precies waarom mensen het als specerij waarderen.

Niet alleen voor in de wok!
Ma-laep wordt ook als medicijn gebruikt. Onderzoek wijst op antioxidanten, ontstekingsremmende en antimicrobiële eigenschappen, en er zijn aanwijzingen dat het bepaalde kankercellen kan aantasten.
In traditionele larb geeft Ma-laep het gerecht die kenmerkende smaak. Omdat de vraag zo toeneemt, kost het nu zo’n 1.000–1.200 baht per kilo. Maar terwijl de prijs omhoog gaat, nemen de wilde populaties af door overpluk en veranderend landgebruik. Experts roepen op tot beschermingsmaatregelen en duurzame teelt, zodat dit bijzondere kruid niet verloren gaat.
