In Jomtien lopen we op een ochtend naar een tempel.
Het is de plek waar een jaar eerder de dienst en crematie van mijn broer zijn geweest. Die dag zelf waren wij er niet bij. We waren ver weg, en het nieuws bereikte ons op de manier waarop zulk nieuws altijd aankomt: te snel en tegelijk veel te langzaam. Maar de plek bleef. Daarom gaan we er nu naartoe.
Ik vraag me van tevoren af hoe het zal voelen. Maar dat kun je niet bedenken. Je kunt alleen gaan.
Als we het terrein oplopen, is het stil. Geen mensen. Alleen de geur van wierook. De tempel ligt er rustig bij. Alsof mensen hier vaker iets zwaars even neerleggen.
We lopen langzaam over het terrein. Zonder haast. Zonder dat er iets moet gebeuren of gezegd moet worden.
In Thailand merk ik dat tempels geen musea zijn. Het zijn plekken die leven. Mensen lopen naar binnen, branden een wierookstokje, zitten even stil en gaan daarna weer verder met hun dag. De ruimte vraagt niets. Ze verwacht geen verdriet en geen vreugde. Ze is er gewoon. En jij mag er ook gewoon zijn.
Die ochtend ben ik er ook gewoon. Met alles wat ik bij me draag. Met herinneringen aan iemand die ik niet meer kan bellen. Met dankbaarheid dat deze plek er is. Met het gevoel dat afscheid nemen geen eindpunt is, maar iets wat je steeds opnieuw, op onverwachte momenten, een stukje verder kunt doen.
Het laat me opnieuw voelen hoe belangrijk zulke plekken zijn. Niet omdat er iets uitgelegd of opgelost wordt. Maar omdat stilte soms het enige is wat telt.
Dat hoeft nergens anders om.
Misschien is dat precies wat we soms nodig hebben.
Erica de Winter
