De schepping
God schiep de ezel en zei:
âJe zult een ezel zijn. Je zult hard werken, zware lasten dragen, gras eten en dertig jaar leven.â
De ezel antwoordde:
âDertig jaar is veel te lang. Geef mij alstublieft maar vijftien jaar.â
En zo geschiedde.
Daarna schiep God de hond en zei:
âJe zult je baas en zijn bezittingen bewaken, zijn beste vriend zijn, het afval van zijn tafel eten en vijfendertig jaar leven.â
De hond antwoordde:
âVijfendertig jaar is veel te lang. Geef mij maar twintig jaar.â
En zo geschiedde.
Vervolgens schiep God de aap en zei:
âJe zult van boom tot boom springen, mensen vermaken en dertig jaar leven.â
De aap antwoordde:
âDertig jaar mensen vermaken is veel te lang. Geef mij alstublieft niet meer dan twintig jaar.â
En zo geschiedde.
Ten slotte schiep God de man en zei:
âJe zult intelligent zijn, over de aarde heersen en dertig jaar leven.â
De man antwoordde:
âDertig jaar is veel te weinig. Geef mij ook de vijftien jaar van de ezel, de twintig jaar van de hond en de twintig jaar van de aap.â
En zo geschiedde.
Daarom leeft een man tegenwoordig eerst dertig jaar als man: gelukkig en vrij.
Daarna trouwt hij en leeft hij vijftien jaar als een ezel: hardwerkend en met een zware last op zijn schouders.
Vervolgens krijgt hij kinderen en leeft hij twintig jaar als een hond: hij bewaakt zijn gezin en krijgt wat anderen niet wilden.
Ten slotte breekt zijn oude dag aan en leeft hij nog twintig jaar als een aap: hij haalt de clown uit de kast om zijn kleinkinderen te vermaken.
Een zin vormen
Tijdens de Nederlandse les vraagt de juf:
âWie kan een zin vormen met de woorden âwaarschijnlijkâ en âwantâ?â
Peter steekt zijn vinger op:
âWaarschijnlijk gaan wij naar Disneyland, want mijn vader heeft kaartjes gekocht.â
âZeer goedâ, zegt de juf. âWie kan er nog een zin maken?â
Ahmed steekt zijn vinger op.
âJa, Ahmed?â
âMijn moeder ging met de krant naar het toilet.â
âMaar Ahmed, dat heeft toch niets met de opdracht te maken?â
âWacht, ik ben nog niet klaarâ, antwoordt Ahmed. âWaarschijnlijk moest ze naar het toilet, want lezen kan ze niet.â
De preek
Een man was al dagenlang op zoek naar zijn hoed. Uiteindelijk besloot hij op zondag naar de kerk te gaan en achteraan plaats te nemen. Daar wilde hij na de dienst een van de hoeden meenemen.
De preek ging over de tien geboden. De man bleef de hele dienst zitten en ging na afloop naar de priester.
âVader, ik moet u iets bekennen. Ik was mijn hoed kwijt en wilde vandaag een andere hoed stelen. Na uw preek heb ik besloten dat toch niet te doen.â
âGod zegene u, mijn zoonâ, antwoordde de priester. âWas het tijdens mijn uitleg over âGij zult niet stelenâ dat u tot inkeer kwam?â
âNeeâ, zei de man. âHet was tijdens uw preek over overspel. Toen wist ik weer waar ik mijn hoed had gelaten.â
Ik wens jullie een prettig weekend en veel leesplezier!
Reinold
